Oorwormen zijn esthetisch niet de mooiste creatie van Moeder Natuur, maar zonder twijfel wel één van de nuttigste. In hun korte bestaan van zo’n 14 maanden (waarvan ze de helft onder de grond doorbrengen), zijn ze naarstig op zoek naar bladluizen, appelbloedluizen, perenbladvlooien en andere ongewenste plagen. Iedereen met een productieve groenten- en fruittuin begrijpt: de oorworm is altijd welkom. En nee, ze kruipen écht niet in je oren.
De oorworm eet in zijn korte leven een heleboel lastige insecten, zoals de appelbloedluis, perenbladvlo, bladluizen, muggen, maar ook algen en schimmels.
Wat de oorworm nodig heeft, is wat jij net wil vermijden in je tuin: veel schadelijke insecten. In droge periodes gaat de oorworm op zoek naar water. Daarbij kan hij soms aan fruit knabbelen, maar zijn kaken zijn niet sterk genoeg om door de schil van een gezonde vrucht te bijten. Met andere woorden: de oorworm zoekt enkel vruchten die al beschadigd of gebarsten zijn en laat gezond fruit ongemoeid.
Voedsel zoeken ze dus vooral zelf — oorwormen voelen zich in hun sas in fruitboomgaarden en gemengde hagen, maar je vindt ze ook in de moestuin of siertuin. Ze zijn ook altijd op zoek naar een goede schuilplek. Ze verstoppen zich graag in donkere plekjes tussen bladeren of onder schors, dus laat zo’n plekje in je tuin er maar wat ‘rommelig’ bij liggen. Je kan trouwens ook zelf een ‘oorwormhuisje’ maken.
Dat lees je hieronder!
Anders dan hun naam doet vermoeden, zijn oorwormen géén wormen maar wel gevleugelde insecten. Ze behoren tot de orde van de huidvleugeligen of Dermaptera. Hun naam verwijst in veel talen naar het oor, misschien omdat er vroeger een geneesmiddel bestond tegen oorpijn en doofheid dat werd gemaakt van gemalen gedroogde oorwormen. Of omdat de vorm van de uitgevouwen vliezige vleugels van de gewone oorworm met wat verbeelding lijkt op een oor.
In elk geval: als we spreken over oorwormen, bedoelen we meestal de gewone oorworm, in heel Europa de meest algemene soort. Hij heeft een langwerpig, plat lichaam van zo’n 1 tot 1,5 cm lang met een kop, een borststuk met zes poten en een achterlijf. Zijn kop en achterlijf zijn rossig tot donkerbruin, het borststuk en de poten iets lichter. Op zijn kop staan er twee antennes, waarmee hij prooien en soortgenoten opspoort. Hij heeft ook twee lip- en twee kaaktasters en twee kleine bolle oogjes.
Twee korte, harde voorvleugels beschermen het borststuk aan de bovenkant. Onder die voorvleugels zitten vliezige achtervleugels opgevouwen. In het achterlijf, dat beschermd wordt door een skelet van rug- en buikplaten, zitten alle organen. Bij een mannetje telt dat tien segmenten, bij een vrouwtje acht. Er zitten ook twee tangetjes aan vast die bij onraad naar boven komen. Dat vormt een schaartje, dat qua vorm anders is bij mannetjes of vrouwtjes, en bij de verschillende soorten oorwormen.
Wist je dat?
De oorworm kan vliegen. Het is te zeggen: met die vrij grote achtervleugels kan hij vliegen, maar het is wel een hele opgave. Na het vliegen moet hij die vleugels namelijk met zijn tangetjes in wel veertig lagen dik weer onder de voorvleugels opvouwen. Veel gedoe, en dus doet hij het zelden.
Het dieet van de gewone oorworm is heel gevarieerd: van zacht plantaardig materiaal tot levende of dode insecten. Schimmels, algen, stuifmeelkorrels, bladluizen, bladvlooien, schildluizen, bloedluizen, insecteneitjes … oorwormen lusten het allemaal. Net daarom wil je die beestjes echt wel in je tuin hebben. Vinden ze om een of andere reden toch te weinig voedsel, dan worden ze kannibaal en gaan ze hun kleinere soortgenoten opeten.
Oorwormen zijn grote eters. Uit laboratoriumonderzoek blijkt dat jonge oorwormen wel 1.000 eitjes van de perenbladvlo of tot 50 volwassen bladluizen per dag opeten. Volwassen dieren eten tot 120 bladluizen per dag. Zo helpen ze allerlei plagen te bestrijden. Dat is uitstekend nieuws, zeker voor fruitbomen!
Wist je dat?
In verschillende fruitstreken is al vastgesteld dat de bladluis meer schade toebrengt aan de gewassen ná het gebruik van insecticiden. Dat lijkt contraproductief en dat is het ook ... omdat die bestrijdingsmiddelen ook de oorwormen hadden doodgespoten. Er was dus geen natuurlijke vijand meer over om de resterende bladluizen op te vreten. Of hoe je de natuurlijke kringloop van het leven niet zomaar te slim af kan zijn.
In augustus en september gaan oorwormen op zoek naar een partner om voor nageslacht te zorgen. Een mannetje doet dat al ruikend. Vindt hij een geschikte partner, dan grijpt hij met zijn tangetjes de punt van het achterlijf van het vrouwtje op zo’n manier dat ze met het achterste deel van hun buiken tegen elkaar gedrukt zijn en van elkaar weg kijken. En zo blijven ze enkele uren zitten. Een vrouwtje heeft aan één paring dan ook genoeg om al haar eitjes te bevruchten.
Vanaf half september trekken volwassen oorwormen naar een zelf uitgegraven holletje om te overwinteren. Ze graven een verticaal gangetje van zo’n 5 cm diep net onder het grondoppervlak, op plaatsen waar het goed droog is, de grond niet te vast is en liefst bedekt is met wat bladeren.
Vrouwtjes zetten in februari-maart zo’n 40 tot 80 eitjes af in hun overwinteringsholletje. In de regel hebben ze maar één legsel per jaar. En ze blinken uit in moederschapskwaliteiten: ze beschermen hun eitjes niet alleen tegen roofinsecten, maar ook tegen uitdroging en schimmel door ze regelmatig te likken en te verplaatsen als het te droog, te nat of te koud wordt of wanneer het nest beschadigd geraakt. Begin mei worden de jonge oorwormpjes of nimfen geboren.
Nimfen (jonge oorwormpjes) lijken op hun ouders qua vorm, maar zijn veel lichter van kleur en nog onvolgroeid. Ze eten hun eigen eischaaltjes op en worden de eerste dagen gevoed door hun moeder. Die gaat ’s nachts op zoek naar voedsel en braakt het op in het nest. Na enkele dagen kunnen de jongen al zelfstandig op zoek naar voedsel, maar ze blijven nog even onder moeders vleugels. Die broedzorg vraagt nogal wat van een oorwormmoeder. Soms overleeft ze het niet en als ultiem bewijs van moederliefde wordt ze dan voedsel voor haar eigen jongen. Pas in juni en na twee vervellingen zijn de nimfen flink gegroeid en gaan ze alleen op pad. Ze beginnen nu ook uiterlijk op hun ouders te lijken.
In juni zijn er dus plots erg veel oorwormen, ideaal voor jouw bloeiende tuin. De nimfen zullen nog twee keer vervellen voor ze rond half juli helemaal volwassen zijn. Pas bij de laatste vervelling krijgen ze hun vleugels en hebben ze volwaardige geslachtsorganen. En dan begint het hele verhaal opnieuw ….
Als je weet dat gewone oorwormen gemiddeld 14 tot 16 maanden oud worden, weet je dat ze dus een vrij kort maar efficiënt bestaan hebben. Ongeveer de helft ervan brengen ze ondergronds door tijdens hun lange winterrust. Van april tot september zijn ze bovengronds actief, maar enkel ’s nachts. Overdag houden ze zich schuil op vochtige beschutte plekken onder bladeren, achter boomschors en in bloemen, en ze gaan pas op zoek naar voedsel als het donker is. Na hun strooptocht keren ze ook liefst terug naar dezelfde schuilplekjes.
De voornaamste vijanden van de oorworm zijn vogels en roofinsecten. Mezen, spreeuwen, eksters en Vlaamse gaaien gaan actief op zoek naar oorwormen, maar ook sluipvliegen, loopkevers, duizendpoten en schimmels lusten onze nuttige helper.
Zo maak je het
Zijn de nieuwe woonst en de locatie naar wens, dan zullen steeds meer oorwormen in de pot kruipen. Oorwormen scheiden namelijk een hormoon af waardoor ze zelf de nieuwe schuilplek gemakkelijk terugvinden, maar ook soortgenoten aantrekken. En hoe meer oorwormen, hoe minder bladluizen, hoe gelukkiger de tuineigenaar!